Inleiding

Een breed gevoelde onbehaaglijkheid strijkt over werk, inkomen, sociale en collectieve voorzieningen. Dat leidt tot vervreemdende en ongemakkelijke waarheden, veranderingen zijn niet meer van ons, maar raken ons zeer. De vakbeweging verliest zijn representativiteit, zzp’ers worden niet toegelaten tot een systeem dat in leven wordt gehouden met kunstgrepen.

blog-08-33-27

Pensioenfondsen zijn vleugellam geworden door de rentewapenwedloop, zonder excellent CV kan je het schudden, langdurige armoede neemt substantieel toe en dan komen de vluchtelingen ook nog schuilen. Iedereen in de weerstand. Als antwoord worden muren opgetrokken rond het stelsel van arbeid en inkomen, ter bescherming van het verleden. Beleidsuitputting is het resultaat, terwijl de werkelijkheid in sneltreinvaart het land van onzekerheid binnendendert. Hoe verder? Nieuwe solidariteit tussen werkenden is ons antwoord.

Solidariteit als grondslag

Wij willen het begrip solidariteit als waarde herintroduceren. Solidariteit en ook ongelijkheidscompensatie zijn altijd belangrijke grondslagen geweest in het arbeidsrecht. Deze waarden lijken de laatste jaren te zijn ‘vergeten’ in menig wetgevingsproject. Wij willen iedereen uitnodigen mee te gaan in ons gedachtenexperiment waarbij we solidariteit inzetten als middel tegen de veel voorkomende ontwrichtingen op de arbeidsmarkt. Het doel: arbeidsverhoudingen zodanig vormgeven dat iedereen die zijn arbeidskracht dagelijks inzet daar ook voldoende voor terug krijgt. Onze stelling is dat de huidige verschillen tussen regelingen en faciliteiten voor werknemers en opdrachtnemers de ontwikkeling van een volwaardig georganiseerde arbeidsmarkt tegenhouden. De vaste baan voor het leven verdwijnt, tijdelijk en onzeker wordt het nieuwe normaal, regelgeving blijft gevangen in de vaste waarden van weleer, gestut door de instituties die daar mede afhankelijk van zijn.

Solidariteit tussen werknemer en zzp’er

Solidariteit biedt een antwoord op de mantra van ‘zelfredzaamheid’ en op het bijna fundamentalistische geloof in de vrije markt. Het thema dat wij in dit artikel belichten is de verhouding tussen zzp’er en werknemer. Dé zzp’er bestaat eenvoudigweg niet, de werknemer voor onbepaalde tijd spoedt zich inmiddels ook naar de uitgang. Het creëren van een gelijk speelveld voor deze groepen is een uiting van solidariteit. Solidariteit is in de woorden van Van der Heijden en Noordam de bereidheid van een individu of een groep om anderen te laten delen in de voordelen waarover dat individu of die groep beschikt zonder daarvoor een (gelijkwaardige) tegenprestatie te verlangen. In essentie vloeit solidariteit voort uit een gevoel van lotsverbondenheid. Het Nederlandse systeem van collectieve arbeidsvoorwaardenvorming is voor een belangrijk deel gestoeld op solidariteit. Helaas profiteren alleen ‘echte’ werknemers van het systeem, terwijl uit KIZO onderzoek blijkt dat slechts 20% van de zzp’ers als ondernemer de broek kan ophouden, de overige categorieën redden het niet op eigen kracht. Tijd voor het gelijke speelveld!

Gelijk speelveld = Collectieve arbeids- en opdrachtovereenkomst

Een gelijk speelveld voor werkenden, zowel in rechten als plichten biedt een nieuwe vorm van solidariteit. Werknemers en opdrachtnemers hebben toegang tot relevante voorzieningen. De entrée tot het speelveld loopt via een collectieve arbeids- en opdrachtovereenkomst, een caoo. Het onderscheid tussen werknemer en opdrachtnemer is arbeidsrechtelijk niet meer relevant. Hiermee wordt aangesloten bij de Wet CAO, die al sinds 1927 de mogelijkheid opent om opdrachtnemers onder de cao te brengen. Art 1 lid 2 van de Wet CAO zegt dat de cao ook kan “betreffen aannemingen van werk en overeenkomsten van opdracht. Hetgeen in deze wet omtrent arbeidsovereenkomsten, werkgevers en werknemers is bepaald, vindt dan overeenkomstige toepassing.” Kennelijk heeft de wetgever destijds al geprobeerd om de cao niet te laten ondermijnen door opdrachtnemers die voor een lager loon dan de werknemer het werk wilden uitvoeren. In het Nederlandse stelsel, zijn er talrijke voorzieningen opgenomen in de wet om ‘onderbieding’ te voorkomen. Voorbeelden daarvan zijn de algemeen verbindend verklaring van de cao en de plicht voor de gebonden werkgever om ook op zijn niet gebonden werknemers de cao toe te passen. Eén van de grondslagen van het cao-recht is immers het voorkomen van concurrentie op arbeidsvoorwaarden. Concurrentie door zzp’ers is inmiddels wel realiteit geworden, omdat zij tot nu toe niet onder de cao worden gebracht. Een oorzaak hiervoor is dat het mededingingsrecht (dat juist gericht is op het bevorderen van de mededinging) er tot nog toe in de weg leek te staan dat cao-afspraken voor zzp’ers worden gemaakt. Immers: hoewel de cao volgens art. 1 lid 2 Wet CAO ook opdrachtnemers kan betreffen, lijkt deze regel tot een ‘dode letter’ te zijn verworden. Dit komt doordat de ACM (Autoriteit Consument en Markt) controleert of cao’s afspraken bevatten met betrekking tot de tarieven van zelfstandigen. Bij overtreding van het mededingingsverbod legt de ACM ook boetes op aan cao-partijen. Gelukkig heeft het EU-Hof in de zaak over de remplaçanten bij symfonieorkesten inmiddels een voorzichtige stap in de richting gezet van het toelaten van cao-afspraken voor ‘schijn-zelfstandigen’.

Arbeitnehmerähnliche Personen?

Het is een eerste stap, maar er zijn nog meer stappen te nemen: niet altijd hoeft het te gaan om ‘schijn-zelfstandigen’. Er zijn ook groepen zelfstandigen, die hoewel zij zelfstandig te noemen zijn (en dus niet een verkapte werknemersrelatie hebben) toch enige bescherming zouden kunnen ontlenen aan een cao. In Duitsland wordt een aparte categorie gehanteerd, naast de ‘Scheinselbständige’ en wel de ‘Arbeitnehmerähnliche Personen’. Deze groep betreft zelfstandigen waarvan duidelijk is dat zij sociale bescherming behoeven. Er zijn regels in het Duitse arbeidsrecht die hun bescherming niet alleen adresseren aan de ‘klassieke’ werknemer, maar ook aan deze ‘Arbeitnehmerähnliche Personen’. Voorwaarde om te worden aangemerkt als ‘Arbeitnehmerähnliche Person’ is dat de zelfstandige van zijn opdrachtgever in economische zin afhankelijk is en sociaal gezien bescherming behoeft. Wat is nu het verschil met een zogenoemde ‘schijnzelfstandige’? Een schijnzelfstandige wordt in Duitsland niet gezien als een bijzondere groep zelfstandigen, maar veel meer als heel normale werknemer (die ook verzekerd zou moeten zijn voor de sociale zekerheid). Deze groep wordt echter ten onrechte door de werkgever als zelfstandige behandeld. De werkgever handelt daarmee in strijd met het arbeidsrecht en met het sociaal zekerheidsrecht en soms zelfs in strijd met het strafrecht.

Ook in Nederland zijn zelfstandigen te onderscheiden die ondanks het feit dat zij als zelfstandige te zien zijn, in economische zin afhankelijk zijn. Voor deze groep zou het dienstig zijn om afspraken te maken in de zogeheten caoo. Dit gebeurt in Duitsland ook al in verschillende sectoren, met name in sectoren die verwant zijn aan de (radio)journalistiek. Duitsland valt onder hetzelfde Europese mededingingsrecht als Nederland, dus kan hier uitstekend als voorbeeld dienen. Nederland hoeft zichzelf geen strenger regime toe te meten dan dat van de Duitsers.

Gelijk speelveld: Beroepen-cao

Een andere optie om een gelijk speelveld te creëren zou de beroepen-cao kunnen zijn. Werkenden switchen geregeld van werknemer- naar opdrachtnemerschap. Deze werkelijkheid is het uitgangspunt voor regelgeving en faciliteiten, die niet gebonden zijn aan bedrijfstak-afspraken. Bijvoorbeeld door de mogelijkheid te bieden om beroepskenmerken en afspraken op te nemen in een specifiek op een beroep geënte cao: de beroepen-cao. In een beroepen-cao kunnen ook verbindingen worden gelegd met pensioen en opleiding, toeslagen en opslagen voor zelfstandig professionals zodat de kosten voor werkgevers c.q. opdrachtgevers vergelijkbaar worden met die werknemers. Daarnaast kunnen faciliteiten opgenomen worden voor opleiding en ontwikkeling van werkenden. Denkbaar is dat een sterkere oriëntering op het ‘beroep’ een andere manier van organiseren vergt binnen de vakbonden (echt voor een bepaald ‘vak’ dus!), waardoor werknemers zich meer herkennen in de organisatie die namens zijn ‘vakgenoten’ onderhandelt voor betere beloning voor de personen die dat bepaalde vak uitoefenen. Dit gegeven komt de representativiteit en de legitimatie van de vakorganisatie ten goede.

Verandering en solidariteit

Werknemers zijn decennialang extern bepaald door wetgeving en cao. Vergeten wordt - als omstandigheden ingrijpend veranderen - dat de omgeving óns heeft aangepast. Nu ontmoet het systeem zijn zelf geformuleerde grenzen. De werkende moet aan de slag om zijn mogelijkheden te ontdekken en mist daarbij de geïnstitutionaliseerde bescherming van de traditionele omgeving. Bestaande (vak)organisaties hebben hun aantrekkelijkheid verloren, omdat ze de nieuwe vragen niet hebben herkend. Relatief nieuwe (zzp-)organisaties gebruiken hetzelfde begrippenkader. Durf de plek der moeite op te zoeken, waar de spanning tussen het regelen en het laten ontstaan tot nieuwe antwoorden kan leiden. Faciliteren in plaats van dichtregelen, want er zijn steeds meer werkenden die buiten de bestaande zekerheden vallen. Die lotsverbondenheid biedt kansen, ook aan vakorganisaties die een rol willen spelen op het nieuwe gelijke speelveld.

Slot

Wij pleiten ervoor dat het brede begrip ‘solidariteit tussen werkenden’ een plek krijgt in de hoofden en harten van wetgevers, beleidsmakers en onderhandelaars. Nieuwe solidariteit als een middel en een doel om het gelijke speelveld mogelijk te maken. Op dat gelijke speelveld is ruimte voor alle actoren die we kennen uit de polder. Juist ook voor de vakorganisaties. Een suggestie die ons inziens het onderzoeken waard is, is het hanteren van een collectieve arbeids- en opdrachtovereenkomst dan wel de beroepen-cao.

1. P.F. van der Heijden, F. M. Noordam, De waarde(n) van het sociaal recht, Deventer: Kluwer 2001.
2. De ZZP Vloot in een transitionele markt. Prof. dr. mr. Leo Witvliet, bestuurslid KIZO, Nyenrode Business Universiteit. Robbert Brantz, algemeen directeur KIZO rapportage 2013-2016
3. HvJ 4 december 2014, zaak C-413/13, FNV Kiem, ECLI:EU:C:2014:2411.
4. TARIFVERTRAG  FÜR ARBEITNEHMERÄHNLICHE PERSONEN IM  DEUTSCHLANDFUNK  VOM 9. JUNI 1978 (In der Fassung vom 18. 6. 1982 mit den Änderungen durch den TV v. 1.10./25.11.2010).