20-4-2017

De kantonrechter Haarlem oordeelt dat de FNV-leden niet op grond van het dynamisch incorporatiebeding kunnen worden gehouden aan de opvolgende cao waarbij FNV geen partij (meer) is. De FNV-leden komt een beroep toe op nawerking van de laatste cao waarbij FNV partij was. Het beroep door de werkgever op het incorporatiebeding wordt afgewezen op grond van de toepassing van het Haviltex-criterium gecombineerd met de cao-norm: “Toen de werknemers tekenden voor het incorporatiebeding mochten zij redelijkerwijs verwachten dat eventuele toekomstige cao’s, net als de cao die zij van toepassing hebben verklaard op hun arbeidsovereenkomst door te tekenen voor het betreffende incorporatiebeding, zou worden gesloten met representatieve vakorganisaties, die beogen hun belangen te behartigen”. Van representativiteit was naar oordeel van de kantonrechter geen sprake meer.

Feiten

Werknemers zijn in dienst bij Transavia en vallen onder de werkingssfeer van de Cao Transavia Grondpersoneel (hierna: de cao). Bij de Cao 2011-2013 waren de volgende vakbonden partij: de FNV, de CNV, De Unie en NVLT. Bij de latere Cao 2013-2016 waren de CNV, De Unie en NVLT partij (en de FNV niet). Per saldo leveren de werknemers op grond van deze laatste CAO 6 ADV-dagen in. De Cao 2011-2013 is door Transavia opgezegd.

Vordering

FNV vordert (onder meer) een verklaring voor recht (1) dat de Cao 2011-2013 onverminderd op de leden van de FNV van toepassing is en (2) dat de Cao2011-2013 op de leden van de FNV van toepassing is tot 1 mei 2016. Tevens vordert FNV dat de kantonrechter Transavia veroordeelt tot toekenning van 10 ADV-dagen op jaarbasis aan de leden van de FNV die vóór 1 mei 2016 lid waren van de FNV en in dienst waren van Transavia, met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2015.

Beoordeling kantonrechter Haarlem

De kantonrechter belicht de verschillende vormen van gebondenheid aan de cao. Hij constateert dat de FNV-leden op grond van art. 9 en 12 Wet CAO gebonden waren aan de Cao 2011-2013; immers zij waren, evenals hun werkgever, georganiseerd bij de cao-sluitende partijen, terwijl zij tegelijkertijd vielen onder de werkingssfeer van de cao. Door de normatieve werking van art. 12 Wet CAO heeft doorwerking in de individuele arbeidsovereenkomsten van de FNV-leden plaatsgevonden. Ook na afloop van de cao blijven de arbeidsovereenkomsten genormeerd naar voorbeeld van de cao: de zogeheten ‘nawerking’.

De kantonrechter stelt vast dat deze nawerking mogelijk zou kunnen worden doorbroken door de toepasselijkheid van een incorporatiebeding. In de (model) arbeidsovereenkomsten van Transavia is in artikel 3 het volgende bepaald: “Op werknemer zijn van toepassing de bepalingen van de Collectieve Arbeidsovereenkomst voor Transavia Grondpersoneel.” Dit betreft een zogeheten dynamisch incorporatiebeding: het beding ziet niet alleen op de tijdens het sluiten ervan geldende cao, maar ook op opvolgende versies ervan.

De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt, betreft de vraag welke uitleg in dit geval aan het incorporatiebeding moet worden gegeven. FNV bepleit aan de hand van uitleg op grond van de Haviltex-norm dat haar leden niet hebben beoogd zich ook te binden aan een cao waarbij hun vakbond geen partij is. Transavia betwist deze uitleg.

Geoordeeld wordt dat de leden van de FNV waar het hier om gaat, redelijkerwijs mochten verwachten dat eventuele toekomstige cao’s, net als de cao die zij van toepassing hebben verklaard op hun arbeidsovereenkomst door te tekenen voor het betreffende incorporatiebeding, zou worden gesloten met representatieve vakorganisaties, die beogen hun belangen te behartigen. Op het moment dat deze werknemers hebben ingestemd met toepasselijkheid van de - met name genoemde - cao die is aangegaan door representatieve vakorganisaties hebben zij te kennen gegeven dat zij gebonden willen zijn aan de afspraken die door die vakorganisaties zijn gemaakt. In de aanvaarding van het incorporatiebeding ligt niet de bedoeling besloten om ook aan een cao die met niet representatieve vakorganisaties is gesloten, gebonden te kunnen worden. Dit volgt zowel uit toepassing van de Haviltex-norm gecombineerd met de cao-norm.

Kort samengevat komt de kantonrechter tot de conclusie dat door het sluiten van de laatste cao waarbij FNV dus niet langer partij is, de representativiteit aan werknemerszijde is teruggezakt van 33% naar zo’n 10%. De kantonrechter concludeert derhalve dat de Cao 2013-2016 niet is afgesloten met vakbonden die voldoende representatief zijn. Het gevolg hiervan is dat de leden van de FNV niet op grond van het incorporatiebeding aan deze cao zijn gebonden en dat deze cao niet op hen van toepassing is. Het beroep van de werkgever op art. 14 Wet CAO wordt afgewezen.

Dit leidt tot de slotsom dat de Cao 2011-2013 onverminderd van toepassing is gebleven op leden van de FNV tot het moment van opzegging per 1 mei 2016. Ook na 1 mei 2016 zijn de arbeidsvoorwaarden bepalingen uit deze cao van toepassing gebleven nu deze bepalingen “nawerken” omdat zij deel zijn gaan uitmaken van de individuele arbeidsovereenkomsten.

Opmerkingen:

Dit is een opmerkelijke uitspraak in de lijn van verwante uitspraken terzake de Horeca-cao, en de Mitex-Cao, enkel gesloten met De Unie (JAR 2006/57; JAR 2007/81; JAR 2008/191). In die gevallen was sprake van één kleine vakbond die alle grote vakorganisaties ‘buiten spel’ zette. De kantonrechter heeft destijds op verschillende manieren een oordeel gevormd om de mogelijkheid om een beroep te doen op het dynamisch incorporatiebeding door de werkgever. Dit beroep werd in de meeste gevallen afgewezen. In de onderhavige casus zijn er nog wel 3 bonden over, alleen de FNV is niet langer partij bij de cao.

Aan de hand van de Haviltex-maatstaf, en de cao-norm oordeelt de kantonrechter dat de werknemers mochten verwachten dat de cao met representatieve vakorganisaties zou worden gesloten. Het beoordelen van de representativiteit blijft een heikele kwestie in ons systeem, omdat de wet geen objectieve, cijfermatige aanknopingspunten kent. Ook de literatuur is verdeeld over de vraag of het wenselijk zou zijn om representativiteitseisen te stellen aan vakorganisaties. De kantonrechter Haarlem zet een eerste stap met dit vonnis.

Kantonrechter Haarlem 07-02-2017, ECLI: NL:RBNHO:2017:2911, (FNV cs/Transavia Airlines CV).