De Hoge Raad heeft zich gebogen over de vraag of een werknemersorganisatie zelfstandig nakoming kan vorderen van een door haar gesloten cao.

De VAB is een vereniging die de belangen behartigt van ondernemers die op franchisebasis een Hema-warenhuis exploiteren. De VAB neemt deel aan de cao-onderhandelingen, maar is zelf geen partij bij een cao. De leden van de VAB zijn tevens lid van Inretail. Inretail heeft met de FNV de CAO voor de Mode- & Sportdetailhandel afgesloten. Tweemaal besluit de VAB tot een loonsverhoging in verband met het uitblijven van een nieuwe cao. Deze loonsverhogingen zijn verrekend met de verhogingen van het cao-loon. De FNV vordert in dit geding veroordeling van de werkgevers om de cao-loonsverhogingen per 1 juli 2011 van 2% over het onmiddellijk daaraan voorafgaande loon aan hun werknemers te betalen zonder verrekening.

Het Hof begint met het formuleren van het uitgangspunt dat de Hoge Raad in CNV/Pennwalt (ECLI:NL:HR:1997:ZC2532) heeft ingenomen. Vervolgens geeft het Hof een bewijsopdracht aan de FNV om aannemelijk te maken dat er onder haar leden werknemers zijn van Inretail en de VAB die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever en die aanspraak hebben gemaakt op de loonsverhoging per 1 juli 2011, zonder verrekening. Hierin slaagt de FNV niet in, volgens het Hof.

De Hoge Raad volgt het Hof niet in de gegeven bewijsopdracht. Het gaat om een zelfstandig vorderingsrecht dat de vakbond toekomt ongeacht of sprake is van één of meer betrokken werknemers die aanspraak hebben gemaakt op nakoming of dat wensen te doen. Niet vereist is dat er werknemers zijn die zich hebben verzet tegen de handelwijze van hun werkgever. De FNV is daarmee gerechtigd om zelfstandig nakoming te vorderen van een door haar gesloten cao.

Hoge Raad 22-06-2018, Zaaknummer: 17/02496, ECLI:NL:HR:2018:980

Dit nieuwsbericht is geschreven door mevr. L. Wijbenga, stagiaire bij Cao-recht Advies en Opleiding (www.cao-recht.nl).