08-10-2018
De loondoorbetaling bij ziekte staat centraal in deze procedure. De loonvordering van de werknemer is gebaseerd op de bepalingen over loon en toeslagen uit de ABU-CAO. Werknemer verkeerde in Fase C van de ABU-Cao (vast dienst verband) toen hij ziek werd. Partijen twisten over de vraag of die cao van toepassing is gedurende het gehele dienstverband en over de vraag welk loon verschuldigd is. Partijen hadden in de arbeidsovereenkomst de werking van de ABU-Cao beperkt tot enkel de perioden dat deze algemeen verbindend verklaard zou zijn.

Ten tijde van de ziekmelding van werknemer op 17 maart 2014 was de ABU-CAO algemeen verbindend verklaard. Daarmee staat vast dat werknemer op grond van deze cao aanspraak verkreeg op doorbetaling van het salaris conform artikel 33 van de ABU-CAO: gedurende de eerste 52 weken van arbeidsongeschiktheid tot 91% en gedurende de 53ste tot en met de 104e week van de arbeidsongeschiktheid tot 80% van het geldende loon, met als minimumaanspraak het minimumloon en als maximumaanspraak het maximumdagloon. Het aldus verkregen recht wordt niet aangetast doordat in de loop van het tijdvak waarvoor de doorbetalingsverplichting geldt de cao ophoudt algemeen verbindend te zijn (HR 28 januari 1994, NJ 1994, 240). Werknemer heeft dus gedurende het eerste ziektejaar recht op uitbetaling van 91% en gedurende het tweede ziekte jaar recht op 80% van het geldende loon.

In deze zaak wordt verwezen naar het arrest HR 28 januari 1994, NJ 1994, 240 (Beenen/Vanduho). Dit arrest beschrijft de uitzondering op de hoofdregel dat aan AVV geen nawerking toekomt. Er wordt in de praktijk bijzonder weinig teruggevallen op dit arrest, dus het is opvallend dat het hof Arnhem-Leeuwarden dat nu wel doet.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25-09-2018, Zaaknummer 200216569 (Uitzendgroep WERK! B.V./geïntimeerde).
Dit nieuwsbericht is geschreven door mr. dr. Esther Koot-van der Putte, eigenaar van Cao-recht Advies en Opleiding (www.cao-recht.nl).