De cao voor de Mortel- en Morteltransportondernemingen is aangegaan voor de periode van 1 januari 2011 tot en met 31 december 2012 en is sindsdien niet vernieuwd. In artikel 2 van de Cao staat een specifieke bepaling voor deze situatie: “Gedurende de periode dat tussen partijen nog geen nieuwe overeenkomst is gesloten, blijven de bepalingen van de oude overeenkomst van kracht.” Cao-partijen -FNV en VOBN- twisten over de vraag hoe dit artikel moet worden uitgelegd.  Omdat er geen zicht is op het afsluiten van een nieuwe cao stelt VBON zich op het standpunt dat alleen de normatieve (arbeidsvoorwaardelijke) bepalingen nawerken. De obligatoire bepalingen zouden niet nawerken. Op grond van (obligatoire bepaling) art. 47 van de cao is de werkgever een bijdrage verschuldigd voor het Sociaal Fonds voor de Mortel en Morteltransportondernemingen (SMF). FNV vordert in kort geding de bijdrage aan het Sociaal Fonds.

De kantonrechter Utrecht oordeelt dat de nawerking van normatieve bepalingen al voor zich spreekt. Dit leidt er volgens de kantonrechter toe dat cao-partijen met artikel 2 (de bepaling dat de oude overeenkomst nog van kracht blijft), moeten hebben beoogd een ruimere nawerking te creëren dan die reeds geldt op grond van het cao-recht. Er is door cao-partijen ook geen nadere specificatie van het type bepaling (horizontaal/diagonaal/obligatoir) gegeven. De kantonrechter oordeelt dat art. 47 van de cao zijn gelding heeft behouden. De kantonrechter oordeelt dat nawerking niet in tijd is beperkt en dat de cao van kracht blijft zolang tussen partijen nog geen nieuwe overeenkomst is gesloten. Dat partijen – tot op heden- niet zijn geslaagd in het bereiken van overeenstemming maakt dit niet anders.

Dit oordeel is interessant, omdat er een oordeel wordt gegeven over een bepaling die is bedoeld om een cao-loze periode te overbruggen. Wat nu als cao-partijen er in het geheel niet meer in slagen om de cao te vernieuwen? Deze uitspraak kan wel eens de eerste in een rij van uitspraken zijn die te maken hebben met het overbruggen van het cao-loos tijdperk. Immers: veel cao’s worden niet, of pas heel laat vernieuwd. Dit heeft grote gevolgen voor de praktijk. Zowel individuele werkgevers als individuele werknemers willen weten waar zij aan toe zijn.

Cao-partijen nemen soms een voorziening op in de cao die duidelijkheid moet scheppen over de periode na afloop van de cao. Soms zijn deze afspraken ook niet helemaal voor één uitleg vatbaar. Dan moet de rechter zich – aan de hand van de objectieve methode voor de uitleg van cao’s- buigen over de interpretatie van dat artikel in de cao. Het wachten is op vervolg uitspraken.

Rechtbank Midden-Nederland 13-03-2015 ECLI: NL:RBMNE:2015:1701